toorn

mannelijk (de)/ˈtorᵊn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hevige boosheid
    Men vreze de toorn van God.
    Het is bijvoorbeeld geen geheim dat er regelmatig mensen uit het raam vallen die zich de toorn van het Kremlin op de hals hadden gehaald.[https://www.parool.nl/wereld/bill-browder-van-cheerleader-van-poetin-tot-staatsvijand-rusland-is-een-gedoemd-land~bd6f87c3/ www.parool.nl (13 okt 2025)]

Etymologie

*; (erfwoord) via Middelnederlands "toren" van Oudnederlands "torn", in de betekenis van ‘woede’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw

Vertalingen

Engelsanger, ire, wrath
DuitsZorn