tonsuur

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het scheren van de kruin van een priester of monnik
  2. de geschoren kruin van een priester
    Het vrijgevochten hippiehaar van destijds is inmiddels teruggebracht tot pagelengte. Wanneer de musicus in zijn Eindhovense hotel de weg wijst naar een rustige spreekkamer, biedt het grijze achterhoofd zicht op een glimmende tonsuur.Volkskrant GUIDO VAN OORSCHOT 21 augustus 2012
    Hij eet, drinkt, ruikt, voelt, praat en kijkt rooms; hij veronachtzaamt zijn onderlichaam en verwacht van zijn roomse lotgenoten in de Heer hetzelfde; en hij zendt roomse boodschappen uit naar een wereld die daar steeds minder van begrijpt, alsof hij met boordje om en kaalgeschoren kruintje (tonsuur) van een andere planeet komt.NRC Jos Palm 13 februari 2015

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelstonsure