toeloop

mannelijk (de)/ˈtulop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stroom van mensen naar een bepaald punt, vaak in de betekenis: komst van een groot aantal belangstellenden
    Veel gymnasia kunnen de toeloop van leerlingen niet meer aan. In de jaren 60 en 90 zouden ze verdwijnen, maar nu zijn ze groter dan ooit.
zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) bepaalde sprong bij het kunstrijden op de schaats, waarbij je je met de rechterschaats naar buiten toe afzet, terwijl je de tandjes voorop de linkerschaats in het ijs drukt
    De 18-jarige Van Zundert opende op de EK nog met een combinatie van een drievoudige lutz en een drievoudige toeloop. Op de WK besloot ze het veilig te spelen met een tweevoudige toeloop.

Etymologie

*[B] van "toe loop"

Vertalingen

Engelsattendance, foot traffic, footfall
Fransfréquentation, achalandage