toef
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een bos(je), pluk(je), tuilt(je), een bosje van ietsze heeft een rare toef haar op haar hoofdeen toefje peterselie
- een (grote) kloddereen toef slagroom op het roomijs
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘pluk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1605
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek