toef

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een bos(je), pluk(je), tuilt(je), een bosje van iets
    ze heeft een rare toef haar op haar hoofd
    een toefje peterselie
  2. een (grote) klodder
    een toef slagroom op het roomijs

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘pluk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1605