titel

/ˈtitəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. opschrift van een boek of ander document
    De titel van dit boek is 'Scheikunde voor de leek'.
    'Wat betekent dat "niets" volgens u? Is dat de titel van een schilderij?' 'Het lijkt me simpeler dan dat'.
    Eén boek valt nu in het oog: Kinderziekten van Stephanus Blankaart, en ze staat er zelf van te kijken dat ze niet over die titel heeft nagedacht toen ze hier de vorige keer was.
  2. academische, adellijke of sportieve aanduiding van een persoon
    Hem werd de titel van 'doctor' verleend.
    'Ik dacht dat iedereen een titel had ' Ik stopte, bang dat ik te veel had gezegd.
  3. juridisch (juridisch) juridische grond voor de overdracht van een goed
    Men kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel verkrijgen. (3:80 BW)

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opschrift, naam’ voor het eerst aangetroffen in 1291

Vertalingen

Engelstitle, heading, title
Franstitre, titre
DuitsTitel, Titel
Spaanstítulo
Italiaanstitolo
Portugeestítulo, título
Russischзаглавие
Chinees標題, 标题
Japans標題
Koreaans칭호
Arabischلقب
Poolstytuł, tytuł
Zweedstitel