tiras

/tiˈrɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. jachttaal (jachttaal) metersgroot rechthoekig net om vogels als patrijzen, kwartels, snippen en leeuweriken te vangen
    {{ouds
  2. bouwkunde, verouderd (bouwkunde)(verouderd) tras, gemalen tufsteen gebruikt als mortel voor metselwerk
    {{ouds

Etymologie

*[2] van / "tierasse"