timmeren

/ˈtɪmərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) houten zaken in elkaar zetten
    Hij kan erg goed timmeren; hij heeft gisteren die hele tafel gemaakt.
  2. inerg (inerg) herhaaldelijk (met een hamer) op iets slaan
    Stop alsjeblieft met dat timmeren op je tafel.

Etymologie

* In de betekenis van ‘bouwen (van hout)’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • Wie aan de weg timmert heeft veel bekijksiemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek
  • aan de weg timmeren

Vertalingen

Engelsbuild
Fransconstruire
Duitszimmern
Spaanscarpintear