til

/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het tillen
    Dat is een hele til! Pas maar op voor je rug.
zelfstandig naamwoord
  1. een houten constructie die vaak in een punt water overbrugt
  2. een vogelbehuizing zonder ren
    Voor mij werd het eikenhouten kinderledikantje van de til gehaald en in elkaar gezet.
    We schommelden op de schommel die opa heel doordacht in de schuur aan een balk had bevestigd, precies zo dat je bij het hard achterwaarts schommelen met je hoofd door het open luik van de til ging en kon kijken wat daarboven allemaal voor spannends lag opgeslagen, en bij het naar voren gaan door de openstaande schuurdeur naar buiten, vanwaar je bij oma in de tegenoverliggende keuken naar binnen kon kijken.

Etymologie

* Leenwoord uit het Fries, in de betekenis van ‘duivenhok’ voor het eerst aangetroffen in 1623

Vertalingen

Engelsdovecot, dovecote
DuitsAufheben, Heben, Balkenbrücke