tijk
/tɛik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) de stof die als een huid om de kern van een matras is aangebracht
- (n) het materiaal gebruikt voor [1]
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kussenovertrek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1163
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek