tijdsklem

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdsdruk
    Verantwoordelijk wethouder R. van Broekhoven zit in een tijdsklem, want vóór de zomervakantie moet de schop voor het IISPA de grond in, anders loopt de gemeente Almelo grote subsidiebedragen mis.
    Timmermans wil op dat overleg 'geen tijdsklem zetten en noemde een deadline van 9 mei (voorstel van D66-leider Alexander Pechtold) te kort dag.