tijdkring

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een begrensde en als eenheid beschouwde tijd
    De zaligheid van de Joden wordt op de tweede rang gezet. Paulus heeft eerst verklaard dat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Daarop laat hij nu volgen: „En alzo zal geheel Israël zalig worden.” Dit is trouwens het eigen kenmerk van de laatste tijdkring, want in het begin van het Nieuwe Testament had Israël de voorrang.
  2. een terugkerende, regelmatige reeks