tiercé

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. weddenschap waarbij men gokt wie de eerste drie zijn van een race; oorspronkelijk weddenschap waarbij men gokt op drie paarden
    Als OPQS alles onder controle kan houden tot de laatste keer Molenberg en Haaghoek, dan denk ik dat ze gewonnen spel hebben. Maar het blijft opletten. Mijn tiercé: 1. Boonen, 2. Roelandts, 3. Langeveld en 4. Kristoff.

Etymologie

* uit het Frans