teuten

/'tøtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. te langzaam iets doen, talmen, dralen, draaien en treuzelen
    Haar leven wordt beschreven in de roman Prospect Park West van Amy Sohn. Karen is een fictief persoon, maar de schrijfster geeft een even komische als realistische schets van hoe moderne Amerikaanse vaders en moeders teuten met hun kinderen.Volkskrant ARIE ELSHOUT 22 maart 2012
  2. babbelen, kletsen, zeuren, zaniken, kwebbelen
    De naaktzwemmers komen niet alleen uit Twente, maar ook uit de Achterhoek. Het eerste uur liggen de meeste mensen lekker in het water, vertelt voorzitter Eduard van Dijk. Tijdens het tweede uur waaiert de groep uiteen. Het ene groepje ‘teut’ volgens hem gezellig in het bubbelbad. De ander bestelt in z’n blote billen een patatje in de kantine.Tubantia 27-DECEMBER-2010

Etymologie

* uit het Nederduits

Vertalingen

Engelsdelay, retard