teug

mannelijk/vrouwelijk (de)/tøx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote slok
    Hij dronk het water met teugen tegelijk.
    Voordat ik dit in één teug naar binnen goot, sloeg ik een kruis en wees in de lucht naar een denkbeeldige maan.
    Deze mannen reageerden op doorstaan gevaar met landsknechtengelach en op komend gevaar met een teug uit een goed gevulde fles — de dood en de duivel mogen grijnzen wat ze willen als de wijn maar goed is. Zo is het altijd geweest in de oorlog...'

Etymologie

* In de betekenis van ‘slok’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Vertalingen

Engelsdraught
Fransgorgée
DuitsZug, Schluck
Spaanssorbo, trago