terugvinden

/t(ə)ˈrʏxfɪndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets dat verloren was opnieuw vinden
    Hij had gelukkig zijn trouwring teruggevonden.
    Zelfs Kleine Woord zou zonder hulp de plek niet meer hebben teruggevonden. Misschien alleen als hij zijn oor op de aarde legde en de boomwezens juist het Boomlied zouden zingen. En zelfs daarvoor moest je nog erg goede oren hebben. {{Aut|Herzen, Frank
    Maar nee, ze moest en zou haar fles terugvinden.