terras

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (in de landbouw) een horizontaal gelegen vlakte, enerzijds begrensd door een duidelijk aflopend terrein en anderzijds door een duidelijk oplopend terrein
  2. (in de horeca), een plek van een horecagelegenheid waar klanten buiten kunnen zitten
    Ze wandelden naar de haven, waar ze op een terras limonade dronken en zich afvroegen welk van de reusachtige schepen hun bedrieglijke pakket vervoerde.
    Buiten op het terras bestelde ik twee hamburgers en trok mijn eerste blikje open.
    Grote kans dat u al eens een drankje hebt gedaan in de nabijheid van een terrasjeskommazweefvlieg. Deze zweefvlieg dankt zijn naam nota bene aan zijn voorliefde om op zomerse dagen rond te vliegen bij terrassen.[https://www.parool.nl/nederland/zo-kan-een-stad-als-amsterdam-insecten-redden-van-uitsterven-de-potentie-is-enorm~b0fa255d/ www.parool.nl (5 jun 2025)]
  3. een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
    Terug in de hotelkamer open ik de schuifdeur naar het terras.
  4. een plat dak waar men kan zitten, dakterras
    Het enige wat u moet weten, is dat de openslaande deuren naar het terras niet goed sluiten. In het geval dat er een stevige bries staat, zou ik u suggereren een stoel tegen de deuren aan te plaatsen.
  5. geologie (geologie) een vlak deel van een berg

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vlak zitje, horizontaal stuk grond’ voor het eerst aangetroffen in 1691

Vertalingen

Engelsterrace
Fransterrasse
DuitsTerrasse
Spaansterraza