tering

vrouwelijk (de)/ˈterɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. financieel (financieel) uitgaven voor levensonderhoud
    Je moet je tering aanpassen.
  2. geschiedenis, medisch (geschiedenis), (medisch) verzamelnaam voor ziektes waarbij de patiënt wegkwijnt, zoals tuberculose en kanker die vaak een dodelijke afloop hadden, later vooral nog gebruikt als onderdeel van een verwensing
    Men leefde in angst voor de tering.
  3. pejoratief (pejoratief) gebruikt als eerste deel van samenstelling om het negatieve karakter van het tweede deel te versterken, of omgekeerd
    Hou op met die teringherrie.

Etymologie

*[3] gebruik van een ernstige ziekte als deel van een krachtterm

Uitdrukkingen

  • de tering naar de nering zetten
  • krijg de tering
  • zich de tering werken

Vertalingen

Engelsconsumption, tuberculosis
Spaansconsumación, tisis