ten

/tɛn/

Betekenis

voorzetsel
  1. samentrekking van te + den (enkelvoud datief mannelijk en onzijdig), komt voor in staande uitdrukkingen
    Dat is ten eerste niet gewenst en ten tweede niet mogelijk.

Etymologie

* In de betekenis van ‘voorzetsel + lidwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236

Uitdrukkingen

  • Ten beste gevenStoett-215 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Ten hemel schreieneen toestand die zo erg is dat er eigenlijk direct iets aan gedaan zou moeten worden
  • Beslagen ten ijs komengoed voorbereid zijn en zeker zijn
  • Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaaldje kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat; wanneer je in de gaten hebt dat dit het niet de goede weg is, kun je beter stoppen en opnieuw beginnen
  • De haren ten berge rijzenergens erg van schrikken
  • Heden ten dage
  • Iemand iets te ( of ten) goede houdenStoett-709 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Iets ten doop houden