tegenzin
mannelijk (de)/ˈteɣə(n)ˌzɪn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het geen zin hebben in iets, het iets niet willen doenHet was met grote tegenzin dat ze na de vakantie weer naar huis gingen.Ze had een hautaine, zowel gekwetste als neerbuigende blik, alsof ze een dichteres was die zich met tegenzin onder het ongevoelige gepeupel begaf. `Frarwaise; fluisterde de grote Griek en hij keek mij aan met een veelbetekenende blik, waarvan ik niet goed wist wat die betekende.'Maar ik hoop toch echt dat u me wat over dat muiltje wilt vertellen,'zei hij, mijn tegenzin negerend.
Vertalingen
Engelsreluctance
Fransrépugnance
DuitsAbneigung, Widerwille
Spaansdesgana, disgusto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek