tegenslaan
/ˈteɣə(n)ˌslan/
Betekenis
werkwoord
- (erga) ongunstig verlopenBorginon die overtuigd was dat de verkiezingsuitslagen zouden tegenslaan, speculeerde er misschien op dat geen van beiden een kans maakte.
- (ov) krachtig afkomen op{{ouds
Etymologie
*van Middelnederlands "tegenslaan", op te vatten als
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek