Te

/tə/

Betekenis

voorzetsel
  1. bij plaatsaanduidingen: in.
    Ik ben geboren te Amerongen.
  2. met gebruikmaking van, per, middels.
    Komt u te voet, te paard, met de auto of op de fiets?
    Ik zal ze te vuur en te zwaard bestrijden.
  3. komt regelmatig voor in combinatie met een infinitief.
    Ik beveel je te zitten.
    Ik vraag je iets te doen.
    Het is duidelijk te zien.

Etymologie

*In "des te meer" etc. gaat "te" terug op Oudnederlands "thiu", een oude van het aanwijzend voornaamwoord "that"

Uitdrukkingen

  • af te rekenen hebben met
  • de kruik gaat zo lang te water tot hij barst
  • een appeltje met iemand te schillen hebben
  • geen cent te makken
  • iemand te grazen nemen
  • in een goed blaadje proberen te komen
  • niet voor één gat te vangen zijn
  • nooit en te nimmer

Vertalingen

Engelsin, at
Fransà, en
Duitszu
Spaansen