taurine

mannelijk/vrouwelijk (de)/tɑuˈrinə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. biologie (biologie) aminosulfonzuur dat als stofwisselingsproduct in naar verhouding grote hoeveelheden voorkomt in zoogdieren
    Aan kattenbrokken worden diverse voedingsstoffen toegevoegd die van nature alleen in dierlijk weefsel voorkomen, zoals taurine en arachidonzuur. Een kat die te weinig taurine binnenkrijgt kan blind worden en last van hartfalen krijgen, vertelt Corbee.

Etymologie

*van "Taurin", opgebouwd uit Latijn "taurus" "stier" en omdat de stof voor het eerst werd ontdekt in ossengal; naam voorgesteld door een van de ontdekkers, de Duitse scheikundige en sinds 1838 in publicaties gebruikt [https://books.google.nl/books?id=9uF5iznfHJYC&lpg=PA270&ots=0Iq8lJJmcb&dq=%22H.%20Demar%C3%A7ay%22&hl=nl&pg=PA273#v=onepage&q=%22H.%20Demar%C3%A7ay%22&f=false "Ueber die Natur der Galle. in: Annalen der Pharmacie jrg. 27 deel 3 (1838) F. Wöhler & J. Liebig, Heidelberg]; p. 273; geraadpleegd 2019-07-08