tasten
/ˈtɑstə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) waarnemen door aanraking, meestal met een of beide handen
- (ov) door voelen onderzoeken
- (ov) raken of treffen (figuurlijk)
- (ov), (figuurlijk) iets bemerken of bespeuren zonder het rechtstreeks waar te nemenEen leugen voelen en tasten.
- (ov), (figuurlijk) in onzekerheid naar iets zoeken
Etymologie
* via Middelnederlands "tasten" van "taster" (modern Frans "tâter", Engels taste). In de betekenis van ‘bevoelen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- In het duister tasten — Bij gebrek aan gegevens in onzekerheid over iets verkeren
- Diep in zijn beurs, buidel, zak tasten — Ergens veel geld voor betalen
- Iemand in zijn eer tasten — Iemand beledigen, krenken of kwetsen
- Iemand in zijn kruis tasten — Iemand kwetsen, op een vervelende manier te pakken nemen of voor gek zetten
Vertalingen
Engelstouch, feel, grope
Duitstasten
Spaanspalpar, tantear
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek