tapirs
/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onevenhoevigen) een familie van de onevenhoevigen die alleen nog voorkomt in Zuidoost-Azië en Zuid- en Midden-Amerika. Er zijn echter fossielen bekend van over de hele wereld. Jonge tapirs zijn gestreept, pas op latere leeftijd kleuren ze donkerbruin, waarbij de Indische soort een witte achterkant krijgt
Etymologie
* "tapir" met de uitgang -s
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek