tandholte

vrouwelijk (de)/ˈtɑnthɔltə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) ruimte binnen een gebitselement voor bindweefsel en zenuwen
  2. anatomie (anatomie) gat in het kaakbeen voor een tandwortel
  3. techniek (techniek) ruimte tussen twee tanden van een tandwiel