talencursus
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kortdurende lesperiode waarin men een taal leertIedereen kent wel iemand die een tijdje in een exotisch oord een talencursus volgt, vrijwilligerswerk doet, op reis gaat.Het kost ze misschien een beetje moeite, maar veel buitenlanders die voor hun werk in Nederland wonen, proberen echt Nederlands te spreken. Zeker als deze expats een talencursus hebben gehad.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek