talencursus

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kortdurende lesperiode waarin men een taal leert
    Iedereen kent wel iemand die een tijdje in een exotisch oord een talencursus volgt, vrijwilligerswerk doet, op reis gaat.
    Het kost ze misschien een beetje moeite, maar veel buitenlanders die voor hun werk in Nederland wonen, proberen echt Nederlands te spreken. Zeker als deze expats een talencursus hebben gehad.