tak

mannelijk (de)/tɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een deel van een boom of struik dat aan de stam vastzit en waaraan bladeren groeien
    Zo zegt hij over de schoolmeesters: 'Daarom ga ik nu spreken over diegenen die de mensen wijs schijnen te vinden en die, zoals men zegt, de gouden tak najagen.
  2. economie, organisatiekunde (economie), (organisatiekunde) een aftakking in een denkbeeldige boom (-> bedrijfstak, handelstak, industrietak etc.)
    De Amsterdamse tak van de partij had zich beklaagd over de slechte huisvesting van de zeeleeuwen.
  3. familie (familie) groep van naaste familieleden binnen een stamboom
    Acht ouders (die de ‘oude takken’ werden genoemd) met tien kinderen tussen de acht en dertien jaar.
  4. geologie (geologie) afsplitsing van een rivier

Etymologie

* In de betekenis van ‘spruit’ voor het eerst aangetroffen in 1275

Uitdrukkingen

  • Met wortel en tak uitroeieniets volledig bestrijden om er geen last meer van te hebben
  • Van de hak op de tak springensteeds weer van onderwerp wisselen en geen duidelijke rode draad in een verhaal hebben
  • kat, kta, t.k.a.

Vertalingen

Engelsbranch
Fransbranche
DuitsAst, Zweig
Spaansrama
Russischветвь