tafelheer

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. man die de presentator van een talkshow assisteert
    In Studio Voetbal blikken de tafelheren vooruit op Ajax-Tottenham Hotspur.
    Van Nieuwkerk en zijn vaste vrijdagse tafelheer Marc-Marie Huijbregts ("We zijn bevriend, we gingen altijd samen eten na de uitzending") moesten het samen doen. "We gaan de zolder opruimen", had Huijbregts gezegd.
  2. buurman van een dame tijdens een maaltijd, man die links van de dame zit