taalgroep
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈtaɫɣrup/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) een groep aan elkaar verwante talen of taalvariëteitenKarakteristiek voor deze taalgroep zijn de voor de meeste mensen onuitspreekbare medeklinkerclusters die toegestaan zijn.
- een groep mensen die dezelfde taal spreken
Vertalingen
Spaansgrupo lingüístico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek