taalgebruiker

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die in een bepaalde taal schrijft en spreekt
    In die zin houden de humaniora, om de traditionele term te gebruiken, zich bezig met de kern van alle intellectuele activiteiten. Wie op dat vlak enige progressie wil boeken, dient een uitmuntend taalgebruiker te zijn.
    De achterliggende gedachte is dus: de werkelijkheid bestáát niet maar wordt door een taalgebruiker gemáákt.