taalbeheersing
vrouwelijk (de)/ˈtalbəˌhersɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talenEen goede taalbeheersing bezitten.De dichter zat bepaald niet in een ivoren toren; hij beoefende een kunst die iedereen verstond, alleen was hij de uitblinker. Hij kon met zijn toehoorders spelen, appelleren aan hun kennis en interesses; de keus van zijn onderwerpen hoefde bepaald niet origineel, niet nieuw te zijn en de vorm waarin hij ze goot lag zelfs traditioneel vast; nee, hij moest voornamelijk opvallen door een persoonlijke behandeling van bekende stof en knappe taalbeheersing. {{Aut |Ovidius
- (taalkunde), (onderwijs) studie van de juiste aanwending van taal (als vak)Taalbeheersing als vak.
Vertalingen
Engelsmastery of language, language proficiency, language skill
Fransconnaissance de la langue, langue
DuitsSprachbeherrschung
Spaansdominio del idioma
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek