taël
mannelijk (de)/ˈtaɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (eenheid) benaming voor verschillende gewichtseenheden uit het Verre Oosten, die meestal een grootte van rond de 40 gram
- (China) in de goudhandel: 37,1 gramDe nominale zuiverheid van een taëlstaaf bedraagt in Hongkong 990, maar in Taiwan kunnen staven van 5 en 10 taël een zuiverheid van 999,9 hebben.
- (historisch) (Nederlands-Indië) 38,6 gram (1 taël is 100 mata's; 16 taël is 1 kati), vooral gebruikt bij de handel in opium{{ouds|1935/46Ik wou, dat ik maar een paar taël van die boter had,’ antwoordde een ander lachend.
- (numismatiek) (geschiedenis) Chinese klompjes zilver munt van rond de 40 gram, gebruikt als munteenheidPo, bedroefd dat zijn gedicht niet eenvoudig genoeg was, maar verheugd dat zijn vermomming hem zo goed verborg, wilde de vrouw een taël geven.
Etymologie
*via "tael" van "tahil"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek