switch

mannelijk (de)/swɪtʃ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. in een korte tijd optredende verandering
  2. sport (sport) wissel van spelers
  3. economie (economie) uitruil van effecten
  4. elektrotechniek (elektrotechniek) onderdeel van een toestel of systeem dat twee of meer verschillende standen in kan nemen die de werking bepalen
  5. communicatie (communicatie) onderdeel van een communicatienetwerk dat de verbinding tussen paren aansluitingen tot stand brengt
  6. informatica (informatica) instructie die bepalend is voor de verdere werking van een programma
  7. instelling die als code bij het starten aan een programma wordt meegegeven
  8. instructie in een programmeertaal die tot verschillende actie kan leiden, afhankelijk van de waarde van een expressie
  9. seksualiteit (seksualiteit) iemand die in bdsm-relaties zowel de dominante als de onderdanige rol kan spelen

Etymologie

*van "switch"