survival

mannelijk (de)/sʏrˈvajvəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overlevingstocht onder zware omstandigheden met weinig hulpmiddelen
  2. het hoogst noodzakelijke om te overleven
    Tot slot is veel overheidsinformatie alleen in het Nederlands beschikbaar. 'Taal blijft een barrière. Met de cursus survival-Nederlands', waar de meeste buitenlandse studenten bij aanvang van hun studie voor opteren, kun je het belastingstelsel nog niet begrijpen of een DigiD-aanvraag doen.'Volkskrant Manon Stravens en Julia Cornelissen 15 november 2017
  3. sportieve activiteit in de vrije natuur met elementen van (1)
    Het internaat organiseert ieder jaar voor de drie hoogste klassen van het gymnasium een zogenaamde `werkweek', waarin talloze survivalachtige activiteiten worden georganiseerd. Sainte Marie staat bekend als eliteopleiding waar naast kennis en religie veel aandacht wordt besteed aan de lichamelijke ontwikkeling van de leerlingen. (Le Télégraphe Centre, 31 maart 1983) {{Aut|Berg, Michael
  4. gebruik dat uit een vroegere cultuurperiode is overgebleven

Etymologie

*van """