suppositoire
mannelijk (de)/ˌsypoziˈtwar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) medicijn dat anaal wordt ingenomenAls clubarts bij Club Brugge, tussen 1972 en 1987, had ik een speler – zijn naam noem ik nooit – die het veld niet betrad zonder een suppositoire Indocid. Een zetpil, jawel.
Etymologie
*van "suppositoire"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek