sumak

mannelijk (de)/ˈsymɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor struiken en boompjes uit het geslacht , dat vooral voorkomt in de tropen en subtropen
    Het rood en geel van de stervende sumak reikte tot in de kruinen, waar het neerhing in roerloze guirlandes.
  2. (in het bijzonder) soort heester die voorkomt in gebieden rond de Middellandse Zee
    Voor de sumak wordt 2,25 fr. gevraagd.
  3. kookkunst (kookkunst) specerij van gemalen vruchten van
    Zuring (Franse, met bredere bladeren) is niet altijd makkelijk te krijgen, de handigste manier is nog om in een tuincentrum of bij een kruidenstal een potje te kopen en dat goed te verzorgen. Maar wie daar niet toe komt, kan of in het wild zuringblaadjes gaan plukken (raadpleeg een van de vele wildplukboeken) of de zuring gewoon weglaten, of voor een lichte verhoging van het zuur wat sumak toevoegen (gedroogde en gemalen zure besjes, te koop bij iedere Turkse winkel).
  4. materiaalkunde (materiaalkunde) poeder van gedroogde en gemalen blaadjes en scheuten van planten uit het geslacht , gebruikt bij het looien van leer en het verven van textiel
    Nadat de overtollige olie verwijderd was, onderging de katoen een behandeling met looizuurhoudende stoffen, zoals galnoten of sumak.

Etymologie

*via "sumac" en سُمَّاق (summāq) ""sumak"" van "ܣܘܡܩܐ" (summāqā) "rood, "sumak""