substituut
/ˌsʏpstiˈtyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) plaatsvervanger
- (n) vervangingsmiddelIk rol een afgebrande lucifer tussen duim en wijsvinger en prik bijwijlen met de geblakerde spits in mijn vlees, een schraal substituut voor het roken. Alles voelt trouwens schraal. {{Aut| Valens, Anton
Etymologie
*afgeleid van het Latijnse 'statuere' (plaatsen)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek