struisvogel
mannelijk (de)/ˈstrœysfoɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (loopvogels) , grote loopvogel, die niet kan vliegen'Moeder heeft de gewoonte je soms, liefdevol en voor de grap maar toch, een struisvogel te noemen,'zei ze en ze legde haar bestek neer.
Etymologie
*van Middelnederlands "voghel struus", , in de betekenis van ‘loopvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Vertalingen
Engelsostrich
Fransautruche
DuitsStrauß
Spaansavestruz
Italiaansstruzzo
Portugeesavestruz
Russischстраус
Japansダチョウ
Koreaans타조
Turksdeve kuşu
Poolsstruś
Zweedsstruts
Deensstruds
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek