strandloper
mannelijk (de)/ˈstrɑntlopər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die op het strand loopt in het bijzonder een jutter
- de jongst gevormde duinenrij aan de zeezijde
- benaming voor waadvogels uit de familie strandlopers en snippen () met betrekkelijk korte poten en lange snavelZe waren destijds onafscheidelijke kameraden geweest die geen acht sloegen op hem, een volwassen man met ongetwijfeld een bars gezicht, die worstelde met zijn demonen, en hij zag weer voor zich hoe ze wild, als een groep bonte strandlopers, om Máili heen renden toen die over het zand naar hem toe liep.Vogelbescherming Nederland heeft 39 soorten op een nieuwe 'Rode Lijst' van bedreigde vogels gezet. Het is een lijst met vogels die hier overwinteren of Nederland aandoen als trekvogel, zoals de paarse strandloper, de ruigpootbuizerd en de kuifduiker.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek