stralen

/ˈstralə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) straling uitzenden
    De zon straalt bijzonder helder vandaag.
  2. inerg (inerg) licht weerkaatsen
    De maan straalt bijzonder helder vannacht.
  3. inerg (inerg) een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
    Na zijn spectaculaire prestatie straalde hij helemaal.
    Zijn hele wezen scheen te stralen van plezier. {{Aut|Herzen, Frank
    ' Terwijl ze me tegen zich aan drukt, zie ik Nikki stralen en Gijs vertederd glimlachen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zakken voor examen’ voor het eerst aangetroffen in 1935

Vertalingen

Engelsradiate, shine, shine
Fransbriller, briller, briller
Duitsstrahlen, scheinen, strahlen
Spaansbrillar, radiar, resplandecer