Stork
mannelijk (de)/ˈstɔrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (ooievaarachtigen) bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten en dito snavel,Aan het einde van de zomer vliegen de storken naar Afrika om er te overwinteren.
Etymologie
-mogelijk : τόργος «gier, zwaan»
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek