storen
/ˈstorə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) het functioneren nadelig beïnvloedenAlle radio-uitzendingen uit Engeland werden door de bezetter gestoord.`Ik wil mij graag verontschuldigen dat ik u bij die gewichtige opdracht heb gestoord. Ik moet leren dat mijn nieuwsgierigheid onze gasten tot last kan zijn, zoals meneer Montebello altijd zegt.'
- zich storen aan: zich ergerenVerder merkte ik dat mijn smaak iets scherper werd zodat ik me onmiddellijk stoorde aan de chemische smaak van het kraanwater in de stad na weken uit de rivier te hebben gedronken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘hinderen’ voor het eerst aangetroffen in 1260
Vertalingen
Engelsdisturb
Duitsstören
Spaansinterferir, estorbar
Poolsprzeszkadzać
Zweedsstöra
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek