stoom
mannelijk (de)/stom/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde), (techniek) gasvormige aggregatietoestand van water
Etymologie
* In de betekenis van ‘damp van water’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1669
Uitdrukkingen
- De stoom komt uit zijn (mijn/jouw, ...) oren. — Gezegd over iemand die erg kwaad is
- Met stoom en kokend water — Erg gehaast, en/of onder grote pressie [1]
- Stoom afblazen — Je hart over iets luchten; bijkomen na een zware inspanning
Vertalingen
Engelssteam, vapor, vapour
Fransvapeur
DuitsDampf
Spaansvapor
Italiaansvapore
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek