stoma

mannelijk (de)/ˈstoma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huidmondje, een opening in een blad waar gassen doorheen kunnen
    Als het te heet wordt kunnen planten hun stomata sluiten om uitdroging te voorkomen.
  2. medisch (medisch) kunstmatige uitgang in het (menselijk) lichaam.Deze uitgang kan zijn voor ontlasting (colostoma of ileostoma), urine (urinestoma of urostoma, of een nefrostoma), gal (galstoma of leverstoma) en ademhaling (tracheostoma).
    Een stoma van de darmen of urinewegen wordt aangelegd als de ontlasting of urine het lichaam niet meer via de natuurlijke weg kan of mag verlaten.

Etymologie

**[2]: in de betekenis van ‘kunstmatige darmopening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961

Vertalingen

Engelsstoma, stoma
Spaansestoma, estoma
Portugeesestômato, estoma