stok

mannelijk (de)/stɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. langwerpig voorwerp om te stoten, slaan, aanraken, aangeven (van toon), steken, te likken of te prikken
    Wandelstokken? Inderdaad, ik was met de trend meegegaan en had een paar Leki Thermalite-wandelstokken aangeschaft. Deze deden ook dienst als tentpalen, twee vliegen in een klap dus. In totaal scheelden deze multifunctionele stokken mij 350 gram aan gewicht.
  2. spel (spel) voorraad speelkaarten die na het rondgeven overblijven en waarvan men kan nemen of kopen
  3. een gedeelte van een stuk (effect, cheque) zonder het betalings- of ontvangstbewijs, souche, talon

Etymologie

* In de betekenis van ‘tak, staaf’ voor het eerst aangetroffen in 1197

Uitdrukkingen

  • Wie een hond wil slaan, kan gemakkelijk een stok vinden.Als je iemand (ergens mee) wilt afkeuren is er altijd wel een reden te vinden.
  • als de stok stijf staat is de uil gaan vliegenEen seksueel opgewonden persoon (man) kan geen verstandige dingen zeggen (of is niet vatbaar voor wijze raad).
  • een stok tussen de benen steken
  • een stok achter de deureen dreigement of sanctie achter de hand hebben
  • alle gekheid op een stokjeeven nu serieus zijn
  • het aan de stok hebbenruzie hebben met iemand
  • met de kippen op stok gaanvroeg naar bed gaan
  • van zijn stokje gaanflauwvallen

Vertalingen

Engelsstick, cane
Fransbâton, baguette
DuitsStock
Spaanspalo, bastón