stoffeerder
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die meubelen van een stoffen bekleding voorzietDe vader van Simon, die stoffeerder en kartonfabriekmedewerker was, overleed toen hij 15 jaar was. Een jaar daarna volgde de fatale brand in het Volendamse café Het Hemeltje. Tubantia Suzanne Borgdorff 11-01-17 [https://www.tubantia.nl/show/simon-keizer-mensen-moeten-het-kleine-meer-waarderen~a4bc7e03/ Simon Keizer: Mensen moeten het kleine meer waarderen]
- inrichter van een huisDe trek van het platteland naar de stad blijft doorgaan. De haperende woningmarkt aan de buitenranden van Nederland zorgt ervoor dat lokale makelaars, notarissen, stoffeerders en witgoedzaken hun heil zoeken in de steden. De Telegraaf 09 mrt. 2015 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/845331/trek-naar-stad-houdt-stand Trek naar stad houdt stand]Tot mijn grote schrik had de stoffeerder verkeerde gaten geboord, maar daarvan niets gezegd. Bovendien kwamen we er later pas achter dat de gordijnen verkeerd waren opgemeten. Kortom: alles moest mee terug. De Telegraaf 07 mrt. 2018 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1758181/lelijke-gaten-door-stoffeerder-kwantum ’Lelijke gaten door stoffeerder Kwantum’]
Etymologie
* van stofferen
Vertalingen
Engelsupholsterer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek