stippen

/ˈstɪpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) voorzien van puntvormiɡe markerinɡen of versierinɡen
    Zij verstond ook de kunst van op het glas te stippen of te drillen, en behandelde met veel talent het graveerijzer.

Etymologie

*: "stip" met de uitgang -en