stinken

/ˈstɪŋkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. absol (absol) een onaangename geur hebben
    Bah, het stinkt hier.
    Ga je eerst wassen, je stinkt!
  2. absol, figuurlijk (absol), (figuurlijk) niet in orde zijn
    Die kwestie stinkt.

Etymologie

* (erfwoord) via Middelnederlands "stinken" van "stinkan", in de betekenis van ‘kwalijk ruiken’ voor het eerst aangetroffen in 901

Uitdrukkingen

  • Dat stinktDat is niet pluis, daar klopt iets niet
  • Een uur in de wind stinkenHeel erg veel stank verspreiden
  • Erin stinkenErin geluisd worden, zich laten foppen
  • Vis begint aan de kop te stinkenEen organisatie of bedrijf gaat ten onder door slecht bestuur
  • Zijn stinkende best doenErg zijn best voor iets doen, je uiterste best doen

Vertalingen

Engelsstink
Franspuer
Duitsstinken
Spaansoler, apestar, heder
Italiaanspuzzare
Portugeesfeder
Poolsśmierdzieć
Zweedsstinka