stiefbroer
mannelijk (de)/ˈstifbruːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zoon uit een voorafgaand huwelijk van iemands tweede vader of moederZijn stiefbroer was een stuk ouder, maar ze konden het goed met elkaar vinden.
- zoon uit een later huwelijk van iemands eigen vader of moederToen zijn vader hertrouwde kreeg zijn zelfs nog een stiefbroer.
Etymologie
*afgeleid van broer ; op te vatten als (verkorting) van stiefbroeder
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek