stereo

vrouwelijk (de)/ˈstereˌjo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektronica (elektronica) stereofonie
  2. elektronica (elektronica) stereo-installatie
  3. wiskunde (wiskunde) stereometrie
  4. elektronica (elektronica) (van geluid) over twee sporen of kanalen.
    Het geluid was stereo en van goede kwaliteit.

Etymologie

* Van het Griekse "στερεός" (stereos), "stevig, solide"